 |  |
"Radetzkymars" roman oorspr. titel: 'Radetzkymarsch' auteur : Joseph Roth (foto) vertaler : W. Wielek-Berg (herzien door Elly Schippers) uitgever : Atlas, Amsterdam/Antwerpen 384 blz., € 22,50 ISBN 978 90 450 1499 9 www.uitgeverijatlas.nl
|
 |
Solferino is een Italiaans dorp, ten zuiden van het Gardameer. In de buurt van dat dorp vond in 1859 een veldslag plaats tussen Fransen en Oostenrijkers. - Henri Dunant vond in deze, buitengewoon bloedige, veldslag aanleiding tot oprichting van het Rode Kruis, maar dit is slechts een kanttekening, die weinig met de in 1932 verschenen roman 'Radetzkymars' te maken heeft, netzomin als het voor het volgen van het verhaal van essentiëel belang is te weten dat Radetzky een befaamde Oostenrijkse generaal was, die o.a. tegen de Turken en Napoleon vocht en aan wie Johann Strauss (sr) een bekende mars wijdde - hier te lande worden de eerste maten van deze mars door muziekliefhebbers vaak buitengewoon oneerbiedig weergegeven door het zingen van 'tieten-kont-tieten-kont-tieten-kont-kont-kont'. De mars speelt overigens wél een rol in de onderhavige roman - hij wordt, bijvoorbeeld door zijn gebruikelijke zondagse uitvoering voor het huis van een hieronder nog nader te bespreken districtshoofd, tot symbool van de Oostenrijks-Hongaarse natie, die echter bij het naderen van de Eesrte Wereldoorlog evenzeer op instorten staat als de oude tradities van de Habsburgse monarchie überhaupt.)
Tijdens de (historische) veldslag bij Solferino laat Joseph Roth (1894-1939) de toen nog jonge Keizer van Oostenrijk, Franz Joseph, die zich aan het front een moment blootgeeft en door een kogel getroffen dreigt te worden, redden door de (fictieve) luitenant Joseph Trotta, van huis uit een Sloveense boerenzoon, dus naar de toenmalige maatstaven van zeer eenvoudige komaf. Deze werpt zijn Keizer precies op tijd omver, vangt zelf de voor de monarch bestemde kogel op met zijn linker sleutelbeen, wordt voor deze moedige daad bevorderd tot kapitein (Hauptmann) en in de adelstand verheven.
De nieuwbakken baron acht zijn zoon, Franz, niet geschikt voor het leger. Franz studeert rechten en wordt districtshoofd (Bezirkshauptmann) met als hoofdkwartier een klein stadje in de provincie Mähren. Uitgesproken vertegenwoordiger van de kaste der plichtsgetrouwe, hun heerser tot en met toegewijde ambtenaren die hij is, krijgt hij pas laat in de gaten hoe de hem vertrouwde, door de landen Oostenrijk en Hongarije gevormde staat tot verval geraakt. Tot aanpassing blijkt hij nauwelijks in staat. In geen enkel opzicht. Bijvoorbeeld: Als zijn oude bediende Jacques gestorven is en er dus een opvolger gevonden moet worden, ergert de heer Von Trotta zich enorm aan de weigering van sollicitanten om 'Jacques' genoemd te worden. (pag. 267/8): Maar reeds na enkele dagen bleek dat de Aloisen, de Alexanders, de Josephs en hoe ze verder ook mochten heten niet naar de grote naam Jacques wilden luisteren, en het districtshoofd beschouwde die weerspannigheid niet alleen als een vergrijp tegen de gehoorzaanheid en de wereldorde, maar ook als een belediging van de onherroepelijk verdwenen dode. Wat? Het zinde hun niet om Jacques te heten? Die nietsnutten zonder jaren en zonder verdiensten, zonder intelligentie en zonder discipline? Want de dode Jacques leefde in de herinnering van het districtshoofd voort als een modelbediende, als een modelmens. En meer nog dan over de weerspannigheid van Jacques' opvolgers verbaasde de heer Von Trotta zich over de lichtzinnigheid van de heren en de instanties die zulke miserabele sujetten goede getuigschriften hadden gegeven. (En dan te bedenken dat de overleden 'Jacques' in feite Franz Xaver Joseph Kromichl heette.)
In het bijzonder windt de baron zich op over ene Alexander Cak (nu ja, 't is me ook de naam wél), een Tsjech, die lid was van de sociaaldemocratische partij en bij zijn regiment niettemin korporaal was geworden. Onder zulke omstandigheden, oordeelt de heer Von Trotta, kon je alle vertrouwen wel opgeven, niet alleen in dat regiment, maar in het hele leger. En het leger was volgens het districtshoofd in de monarchie nog de enige macht waarop een mens zich kon verlaten! Het districtshoofd had het gevoel dat opeens de hele wereld uit Tsjechen bestond, een natie die hij voor weerspannig, eigenzinnig en dom hield en bovendien voor de uitvinders van het begrip natie. Er mochten dan veel volkeren bestaan, er bestonden geen naties. (De lezer kan aan zulke passages, als ik me niet vergis, desgewenst parallellen met eigentijdse opvattingen ontlenen.)
Wie zich van de ondergang van het oude keizerrijk wel degelijk vrij spoedig bewust wordt, dat is de zoon van het hierboven opgevoerde districtshoofd. Deze Carl Joseph moet nu juist wèl weer militair worden. Hij dient aanvankelijk als luitenant (Leutnant) bij de cavallerie. Nogal een slappe Tinus, duidelijk geparenteerd aan andere zwak in hun mentale schoenen staande officieren uit de wereldliteratuur. Een vergelijking dringt zich op tussen luitenant Carl Joseph en de door Arthur Schitzler in diens uit 1900 daterende novelle 'Lieutenant Gustl' geportretteerde slappeling, die, na beledigd te zijn door een bakker (een burgerman, met wie een militair geen duel kan aangaan), besluit om dan maar zelfmoord te plegen, doch daar haastig van afziet als de bakker, nog voordat het conflict de openbaarheid bereikt kan hebben, door een beroerte om het leven komt. (De huichelarij van een in conventies en valse sentimenten verstrikte samenleving - en met name de even starre als stupide opvattingen inzake eer en geweten, normen en waarden binnen het kader van ambtenarij en leger - staan duidelijk centraal in zowel 'Radetzkymarsch' en 'Lieutenant Gustl' als in vele daaraan geparenteerde romans, verhalen en novellen door de eeuwen heen.)
Carl Joseph blijkt niet in staat, zich onder de druk van zijn grootvader (de Held van Solferino dus - zie boven) uit te werken. Steeds moet ik tot mijn grootvader teruggaan om een beetje kracht op te doen. (pag. 135) - Prachtig gevonden (door Joseph Roth) is de scene waarin onze luitenant een portret van zijn keizer weet te redden uit een bordeel, schrille tegenstelling tot de reëel levensreddende daad van zijn grootvader. (pag. 90) Telkens weer raakt C.J. terneergedrukt onder div erse soorten schuld waaraan hij meestal hoogstens ten dele debet is, zoals het overlijden van zijn maîtresse, echtgenote van de gendarmeriewachtmeester Slama. Zij sterft in het kraambed, maar het kind dat haar bij zijn geboorte het leven ontneemt is stellig niet van haar minnaar afkomstig. Ook de schuld aan de dood van de bij een arbeidersopstand door een salvo vanuit het door hem geleide peloton om het leven komende demonstranten ligt niet per definitie bij hèm. Hij lijdt echter zwaar onder deze en dergelijke ervaringen. Na een door hem onwetend mede veroorzaakt mini-schandaal met désastreuze gevolgen (hij brengt na een toneelvoorstelling de vrouw van een collega thuis; dit wordt door nog weer een andere collega rondgebazuind en van schunnige kanttekeningen voorzien, er volgt een duel, beide tegenstanders sterven) wisselt hij van garnizoen èn van onderdeel: hij wordt infanterist aan de oostgrens van het Habsburgse keizerrijk.
Hier leert hij de niet onsympathieke, cynische, in politieke kwesties doorknede Poolse graaf Chojnicki kennen, die hem de op handen zijnde staatkundige veranderingen duidelijk laat inzien. Hier ook raakt hij aan de drank en in speelschulden verstrikt. Het kost zijn vader een privé-audiëntie bij keizer Franz Joseph om de moeilijkheden op te lossen. Het districtshoofd kwam dichterbij. De keizer stak zijn magere, bevende hand uit, een oudemannenhand met blauwe adertjes en kleine knobbels op de gewrichten van de vingers. Het districtshoofd greep de hand van de keizer en maakte een buiging. Hij wilde de hand kussen. Hij wist niet of hij het kon wagen hem vast te houden of dat hij zijn eigen hand zo in die van de keizer diende te leggen dat deze hem op elke gewenst ogenblik kon terugtrekken. 'Majesteit', herhaalde het districtshoofd voor de derde maal, 'ik smeek u om genade voor mijn zoon!' Ze waren als twee broers. Als een vreemde hen op dat moment had gezien, had hij hen voor twee broers kunnen houden. Hun witte bakkebaarden, hun afhangende, smalle schouders, hun gelijke lengte wekten bij beiden de indruk dat ze tegenover hun eigen spiegelbeeld stonden. (De precisie van Roths beschrijvingskunst, èn de vertaaltechniek van Wielek-Berg, spreken mij zéér aan.)
Niet lang daarna, in 1916, sterven zowel de keizer als Franz, baron Von Trotta. Geen toeval, dat zij vrijwel gelijktijdig overlijden: de geschiedenis van de familie Trotta verloopt parallel aan het lot van de Habsburgse monarchie. Met C.Js speelschulden is het dan allang in orde gekomen. Hij verlaat het leger, probeert een tijdlang het boerenleven van zijn grootvader na te volgen, wordt weer onder de wapens geroepen bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en sneuvelt bij een poging water te halen voor zijn dorstige manschappen. Nu sloeg er een kogel tegen zijn schedel. Hij deed nog een stap en viel neer. De volle emmers kantelden, vielen om en stortten hun inhoud over hem uit. Warm bloed vloeide uit zijn hoofd op de koele aarde van de dijk. Beneden riepen de Oekraïense boeren van zijn peloton in koor: 'Geloofd zij Jezus Christus!' 'In eeuwigheid. Amen!' wilde hij zeggen. Het waren de enige Roetheense woorden die hij kende. Maar zijn lippen bewogen niet meer. Zijn mond bleef openstaan. Zijn witte tanden staarden naar de blauwe najaarshemel. Zijn tong werd langzaam blauw, hij voelde zijn lichaam koud worden. Toen stierf hij. (Ik zie etsen uit Goya's 'Los Desastres de la Guerra' voor me. Een tikje te veel sentiment misschien. Sorry, 't ís niet anders. Zo'n roman als 'Radetzkymarsch' doet me zelfs nú, een halve eeuw na eerste lezing, nog steeds wat.)
Jaap Reiding
|
|
 |  |