Deze website is mede mogelijk gemaakt door Glimworm IT
IVAN TOERGENJEV
"Liza"
roman
oorspr. titel : 'Dvorjanskoje gnezdo'
auteur : Ivan Sergejevitsj Toergenjev (foto)
vertaling : Monse Weijers
uitgever : L. J. Veen, Amsterdam/Antwerpen
251 blz., € 24,90
ISBN 978 90 204 0906 2
www.ljveen.nl




't Is, als je een tijdje geen ouderwetse (Toergenjew stierf in 1883) Russische roman gelezen hebt, toch altijd weer wennen aan de namen van de personages. Zo heet bijvoorbeeld een van de belangrijke figuren uit de roman 'Liza' Marja Dimitrijevna Kalitina.
De mater familias van wat er nog over is van het geslacht der Kalitins.
Een vervelend, tamelijk dom mens, niet vies van intriges (blijkt tegen het eind de roman), maar is er eigenlijk te lui voor en zit dan ook de hele dag te kaarten en te luisteren naar de kletspraatjes van Sergej Petrovitsj Gedeonovski, een roddelzuchtige nietsnut, en Vladimir Nikolajevitsj Pansjin, ambtenaar op het een of andere ministerie en dus óók al niet iemand die echt leven in de brouwerij brengt, of in dit geval: iets van avontuur in de doodsaaie huishouding van de Kalitins.
Zelfs in aanleg boeiende figuren als de oude, aan lager wal geraakte, van oorsprong Duitse musicus Christofor Fjodorytsj Lemm lopen dood in de stoffige mufheid van dit vervallen 'Adelsnest'. Gezelschap, sfeer doen denken aan die in sommige Russische toneelstukken (van bijvoorbeeld Tsjechov) uit dezelfde periode als waarin 'Liza' geschreven werd.

De term 'Adelsnest' (dit terzijde) vormde de oorspronkelijke titel van de roman, die nu en ook in vroegere Nederlandse vertalingen verschenen is onder de titel 'Liza' - een betere naam, o.a. omdat, zoals Monse Wijers in zijn Verantwoording tot de verdienstelijk door hem vertaalde roman schrijft, het niet duidelijk is welk geslacht nu eigenlijk wordt aangeduid met 'adelsnest': dat van de Lavretski's of dat van de Kalitins. (Zelf ben ik ervan uitgegaan dat het herenhuis van Marja Kalitina bedoeld is, daar het duidelijk als centrum van de gebeurtenissen fungeert. - J.R.)

Tot de Lavretski's behoort de hoofdpersoon van de roman, Fjodor Ivanytsj Lavretski.
Hij is de laatste afstammeling van een ooit tot de Russische upper ten behoord hebbend geslacht. In flash backs worden drie voorafgaande generaties beschreven, literair gezien heel sfeervol en bovendien noodzakelijk voor een beter begrip van Lavretski's innerlijke roerselen.
Je zou hem kunnen beschouwen als het eindproduct van een steeds verder in verval gerakende familie. - Het proces verloopt niet zo duidelijk als bij de 'Buddenbrooks' in de gelijknamige roman van Thomas Mann, maar toch.

Lavretski's antecedenten leiden tot een bezopen opvoeding door een weinig snuggere vader, die na langdurig verblijf in het buitenland naar Rusland terugkeerde als anglomaan. Zijn kortgeknipte haren, gesteven jabot, lange kakikleurige, getailleerde jas met een heleboel pelerines, de zure gelaatsuitdrukking, iets bruusks en tegelijk onverschilligs in de omgang, de abrupte houten schaterlach, het binnensmonds praten, de afwezigheid van een glimlach, de uitsluitend politieke en economische conversatie, zijn hartstocht voor bloederige roastbeef en port, alles in hem ademde Groot-Brittannië - hij was geheel doordrenkt van de Britse geest. Maar - curieus! - hoewel veranderd in een anglomaan, was Ivan Petrovitsj tegelijk een patriot geworden. (pag. 53)
Ook op de universiteit wordt Lavretski bepaald niet klaargestoomd voor het leven.
Slecht toegerust om de realiteit het hoofd te bieden, ontoereikend voorbereid op sociaal verkeer, trouwt de arme kerel met een schattig ogend loeder, Varvara Pavlovna Korobjina (na haar huwelijk natuurlijk Lavretskaja), die hem tijdens hun verblijf in Frankrijk (de beide gelieven reizen veel) al spoedig bedriegt met de Parijzenaar Ernest, een mooie blonde jongen van een jaar of drieëntwintig met een wipneus en een dun snorretje, eigenlijk de meest onbeduidende van al haar kennissen. (pag. 75/6)

Lavretski breekt met zijn vrouw, keert uit Parijs terug naar Rusland, leert ten huize van Marja Kalitina haar knappe negentienjarige dochter Liza (Jelizaveta Michajlovna Kalitina) kennen en wordt verliefd op haar.
Hoewel hij al ver in de dertig is en dus een stuk ouder dan de door hem beminde teenager blijkt zij Lavretski's tedere gevoelens te beantwoorden, en als deze dan ook nog uit een krantenbericht verneemt dat Varvara Pavlova overleden is, lijkt niets een happy ending in de weg te staan.
Het verhaal loopt echter anders. Varvara Pavlova is helemaal niet gestorven en duikt plotseling weer op in het bestaan van haar echtgenoot.
Ze is nooit officieel van hem gescheiden (vermoedelijk was dat ook niet mogelijk: 't zal wel een Rooms Katholiek huwelijk zijn geweest) en hoewel Lavretski niets meer van zijn vroegere levensgezellin moet hebben, besluit hij Liza's raad op te volgen: het oude huwelijk blijft van kracht, al zal Lavretski zijn vrouw, die hij verafschuwt, met geen vinger aanraken; Liza en haar geliefde gaan voorgoed uiteen.

Acht jaar na deze beslissing bezoekt Lavretski nog eenmaal Marja Kalitina's fraaie huis in een van de buitenste straten van de gouvernementsstad O.
Hij treft er een uitgelaten, jeugdig gezelschap aan. Jonge, baardloze huisbedienden, tot grappen en grollen geneigd, hadden de bezadigde oude mannen van vroeger afgelost. (pag. 224) Natuurlijk komt de gedachte aan Liza sterk bij hem boven.
Zij is kloosterlinge geworden, hij heeft haar nog één keer gezien, gehuld in een kloostergewaad, omgeven door dichte wierookdampen. (pag. 228)
Lavretski's lot is duidelijk: Hoewel nog verre van bejaard, begroet hij zijn eenzame ouderdom en ziet op tegen het verdere verloop van een zinloos leven.

Geen vrolijke roman. Maar bij wijze van geinige uitsmijter doet de vertaler aan het slot van zijn Nawoord verslag over de onenigheid die na het verschijnen van 'Liza' ontstond tussen de auteur en diens collega Ivan Aleksandrovitsj Gontsjarov.
Laatstgenoemde had de ander namelijk zo ongeveer alles verteld over zijn nog te publiceren verhaal 'Het ravijn' en was ervan overtuigd dat Toergenjew die mededelingen schromelijk had misbruikt ten behoeve van zíjn zojuist uitgegeven roman.
De ruzie en de de zich bij Gontsjarov steeds meer tot een soort dwangneurose ontwikkelende idées fixes betreffende het zogenaamd op zijn werk toegepaste plagiaat bevatten genoeg hilarische elementen ter opmontering van wie daar na lezing van de voorafgaande triestigheden behoefte aan mocht hebben.

Jaap Reiding