 |  |
"Oneigenlijk gebruik" over de betekenis van poëzie auteur : Geert Buelens (foto) uitgever : Vantilt, Nijmegen 304 blz., € 19,90 ISBN 978 90 77503 64 5 www.vantilt.nl
|
 |
Geert Buelens verzamelde een reeks essays, die eerder verschenen in de tijdschriften Yang, Parmentier, Dietsche Warande & Belfort, in de krant De Morgen of als lezing. Een enkel artikel is nieuw. Vooral in het eerste deel zijn er onvermijdelijke overlappingen en krijg je dezelfde standpunten en ingrediënten met een andere saus opgedist. Dat mag wel, want het woorden- en begrippenarsenaal is vaak van het universitaire kaliber (Buelens is hoogleraar Nederlandse Letterkunde), waardoor wat minder geschoolden voor een gesloten poort blijven staan. Ondanks de gruwelijke titel en de genoemde horden, werd het een lijvig en "interessant" boek. Niet het minst omdat zijn kritische reactie op wat poëzie volgens "specialisten" moet zijn, bij velen op de verontwaardigde lippen ligt, maar door de auteur duidelijk geformuleerd wordt. "Wie als dichter of zanger communicatie van groot belang acht, diskwalificeert zichzelf". Met een zucht reageert Buelens hierop: "Vaak bleven echter toch vooral ruïnes en gecultiveerde puinhopen over. Zou het echt de bedoeling zijn dat we daarin blijven wonen tot de eeuwigheid ons in- dan wel ophaalt?"
Onze visie op poëzie is de afgelopen decennia erg versmald: "hoe de literatuur willens en wetens autonomer werd, zich van haar publiek vervreemdde en steeds onbetekenender werd." Poëzie in het bijzonder heeft zich uit de wereld weggeschreven om... "ten onder te gaan aan formalisme, solipsisme en nihilisme". P. werd bijna beperkt tot het "autonome gedicht". "Dit boek wil geen straf uitdelen of boetes opleggen, maar openingen creëren en mogelijkheden onderzoeken."
In het eerste deel staan algemene teksten waarin poëticale stellingnames en exploraties te vinden zijn over de (strijd om de) uitdrukkingsvorm... poëzie en autonomie, poëzie en politiek, poëzie en publiek, poëzie en muziek, poëzie en imago, en altijd opnieuw, poëzie en taal. In het tweede deel gaat het om hoe concrete spelers daarmee omgaan. In een reeks min of meer chronologisch gepresenteerde casestudy's worden de hoger aangehaalde motieven en onderwerpen hernomen in de context van een oeuvre, thema, periode of boek.
Buelens geeft een overzicht van wat poëzie volgens voorgaande generaties kan of moet zijn. Van Plato tot Walravens, van Westerlinck tot bijvoorbeeld Larkin of Hertmans. Hijzelf opteert voor: "Poëzie die geen angst heeft voor haar eigen tijd, maar toch ook niet in modieus, pseudo-futuristisch gedaas vervalt; poëzie die niet afkerig is van de wetenschap, de filosofie en de media, maar in al die elementen mogelijkheden ziet om haar beelden- en onderwerpenarsenaal uit te breiden... die beelden niet langer als ornamenten gebruikt, maar als alternatieve vensters op de werkelijkheid..." Een Komrij "die van het belazeren der kluit met succes zijn hoofdbezigheid heeft gemaakt" of de formalist Leonard Pfeiffer die met zijn "ontzettend groot technisch vermogen" rebussen voor gevorderden maakt: de lege samba-vaten dus, kunnen bezwaarlijk als model gelden. "Indrukwekkend, maar waar dient het toe?" Dit zijn zowat dezelfde opmerkingen en vragen als die welke het Brabantse dichterscollectief Mengmettaal reeds achttien jaar stelt en beantwoordt.
Onze zwaluw die vanaf de hoogste draad kwettert, daalt echter soms af tot toegankelijker onderwerpen als songteksten, politiek getinte verzen, levensliederen en rappers-kanonnades. Zij hebben een middel gevonden om poëzie uit de ivoren toren te verlossen en dichter bij het publiek te brengen. Daardoor wordt onze enge visie op poëzie weer opengetrokken. Buelens noemt het "frisse lucht uit onverwachte hoek". Hij gelooft niet in die autonomie: een gedicht wordt steeds ingezet voor iets, streeft steeds naar communicatie. Heel wat dichters vertonen autistische trekken vergeten dat buiten hun verbale boetseerklei er nog andere mogelijkheden bestaan om vorm aan iets te geven. Opvallend en onverwacht komt het hoofdstuk over politiek en poëzie: "Zeker in de nasleep van 9/11 blijkt het gedicht ginds weer een geschikt vehikel om politieke boodschappen de wereld in te sturen of aan traumaverwerking te doen." Volkomen aannemelijke uitspraak als je de prachtige karikatuur er even op naleest die Buelens van de dichter tekent: "Een dichter, moet u weten, is een halfzachte, sandaal dragende neohippie die zijn godgegeven welbespraaktheid gebruikt om zeer diepe gevoelens te verwoorden waarin ook anderen zich ontroerd, weldadig of helend kunnen herkennen. Dichters zijn bijgevolg voorspelbare antioorlogsdemonstranten en evidente rouwbegeleiders. Op hen kan je altijd rekenen wanneer de dood in het geding is. Als hoofdaandeelhouders van het Goede, het Ware en het Schone proberen deze zoetwatervissende verzenmakers immers bij uitstek een stem te geven aan wie onderdrukt, bedreigd of anderszins gewelddadig bejegend wordt." Neruda, Terre Blanche, Ortega, Karadzic passeren de revue: "En de dichter-politicus die zijn eloquentie ten dienste stelt van een ideaal in de wereld, slaagt er misschien wel in, maar dreigt net door de vertaling van die idee naar de realiteit de poëzie op te offeren." Je kan poëzie dus ook gebruiken voor bijvoorbeeld propaganda. Dit is in de ogen van de romantici of de postmodernisten een vloek, een 'oneigenlijk gebruik' van de poëzie. Een belangrijke constatatie is dat de hedendaagse kunst en literatuur een hekel heeft aan expliciete gevoelsuitingen. "De anekdote en concrete gebeurtenis vallen uit de gratie als poëtisch materiaal en de (letterlijke) betekenis van woorden lijkt plots minder interessant dan hun klankkleur, vorm en schijnbaar elektrische geladenheid."
Buelens verwerpt niet de grote traditie van de Westerse poëzie: Blake, Hölderlin, de romantici, Baudelaire, Rimbaud, de avant-garde, de vijftigers blijven overeind, maar er is meer, bijvoorbeeld de troubadourstraditie die vanuit de Middeleeuwen doorklinkt, zou ook zijn woordje kunnen komen meepraten. De relatie tussen woord en muziek wordt aangeraakt: de dadaïsten, de heerlijke Roul Hausmann uit het museum van Rochechouart (Haute-Vienne), Mallarmé, Van Ostaijen, Labris, die belang hechten aan beeldcompositie en klankstructuur. Buelens heeft een klein oortje voor klassieke moderne muziek en een grote flap voor hollers, klankgedichten, hiphop en rappers, bij wie de muziek ten dienste staat van de tekst, maar vergeet dat er naast ritmici ook melodici zijn, die heel andere liedjes fluiten.
In het tweede deel komen dus een aantal explicitaties en casestudy's aan bod. In de studie van het dichtwerk van H.H. Ter Balkt en Gezelle worden verschillen en raakpunten aangehaald. Ze geeft ons een welgekomen warmteopstoot: "Het zijn schrijvers die van het gedicht meer willen maken dan genieuze, op zichzelf gerichte taalconstructies of herkenbaar geballadeer. Een dichter heeft voor hen een stem in de samenleving, doet uitspraken over de wereld en de dingen en gaat daarbij de moraal niet uit de weg. 'Kunst is (...) Verantwoordelijk, ze moet verantwoordelijkheid willen dragen. Er wordt van haar een mening gevraagd. Geen boodschap maar een mening' (Ter Balkt 1981)." Verder aandacht voor oorlogsdichters, geweld, seks en macht bij Bluesqueen, Freejazz enz... Hugo Claus krijgt nog eens een zonnebad: "de experimentele poëzie (had) indrukwekkende resultaten geboekt maar Claus wilde niet langer alleen verbaal vuurwerk of 'gedaas van klanken' (...) maar ook (opnieuw) inhoud."
Stof te over dus om te debatteren, om zich als dichter te situeren, om met dieper kijkende ogen te lezen. Recensent Reynebeau noemde dit boek "niets minder dan een geschiedenis van de Vlaamse poëzie". Kan het wat minder? Er zijn teveel hiaten en enkele faveurtjes om voor een objectief werkstuk door te gaan. Subjectief kan ook mooi zijn. "Oneigenlijk gebruik" is eerder een biografie, waarin 'n jong en boeiend talent zichzelf essay na essay definieert. Misschien zou de bron van de kunst wel eens het lustgevoel kunnen zijn. Kunst kan in haar diepste wezen niet onaangenaam zijn of vervelen. Literatuur is dan een zachte streling over wat ik zou noemen "de ziel". Misschien kunnen we dit genot ook eens in rekening brengen bij de beoordeling van een kunstwerk. Wel, ik heb met inspanning genoten van dit werk. Kunst is niet zozeer iets van en voor professionals, maar eerder van en voor amateurs. Zo zag Cézanne, die zondagsschilder het ook. Natuurlijk ontbreken de verantwoording, noten, disco- en bibliografie, zaak- en naamregister niet.
Maar genoeg gedacht, aandacht geschonken, becommentarieerd, anders wordt de directeur van de verffabriek nog belangrijker dan de schilder, de boer dan de supermarkt, de literatuurprofessor dan de dichter in hem. De essentie van poëzie is toch niet in cognitieve woordspellen te vatten, alleen het gedicht spreekt zijn mond permanent voorbij.
Mark Meekers
|
|
 |  |