Deze website is mede mogelijk gemaakt door Glimworm IT
- PAUL VERHUYCK -
"De echte troubadours. De dichters die de wereld veranderden"
auteur : Paul Verhuyck (foto)
uitgever : The House of Books, Antwerpen/Vianen
224 blz., € 19,90
ISBN 978 90 443 2065 7
www.thehouseofbooks.com



Wie naar Zuid-Frankrijk reist maakt zonder twijfel kennis met de katharen en hun fenomenale burchten.
Met een snuifje verbeelding zie je de troubadours hun lofliederen voor de nobele dames aan de man brengen.
Zij dichtten en zongen tussen 1100 en 1250 in het Occitaans, de langue d'oc.
Wij mogen hen dankbaar zijn want zij droegen sterk bij tot de emancipatie van de vrouw.
De Occitaanse beweging is aan een renouveau bezig en de 33 Franse departementen worden zich hoe langer hoe meer ervan bewust dat zij geen patois spreken, maar een eigen, eerbiedwaardig-oude Romaanse taal.
Het Nobelprijscomité bedacht al in 1904 de dichter Mistral met wereldroem.
In het Nederlands taalgebied was er sinds "De Troubadours" van Jean-Jacques Salverda de Grave geen geschiedenis van de Occitaanse literatuur meer uitgegeven.
Meer dan tijd dus voor een nieuwe publicatie.

Het is goed merkbaar dat Paul Verhuyck 27 jaar de Franse literatuur van de middeleeuwen doceerde.
Zijn indelingen en definities van de geëigende begrippen zijn helder en systematisch, misschien iets te nadrukkelijk didactisch zodat het boek wat weg heeft van een verbeterde en aangevulde cursus; maar dit bederft de leespret nauwelijks, de gedichten en tekstfragmenten zijn om duimen en ogen af te likken.

In "troubadours, liefde en poëzie", beklemtoont Verhuyck het belang van deze eerste dichters in de volkstaal, minnezangers en componisten.
Hij stelt hun profiel scherp en kadert hun optreden in de feodale context. Het kernbegrip is "hoofse liefde":
"De dichter bemint en vereert het liefst een onbereikbare vrouw, meestal van hogere stand (bij wie hij in dienst is of wil zijn). Daarom wordt de vrouw verheven tot dame, tot heerseres."
De liefde is niet zuiver platonisch en men schrikt niet helemaal terug voor le plus (de daad).
Tussen de eerste kus en de finale daad lagen twee etappes: het eerste stadium was dat van het bewonderen van het naakte lichaam van de dame. Het tweede: in bed met haar zónder het Hele Erge te doen.
De zanger / ridder mocht: tener, abassar, baisar en manejar: vasthouden, omhelzen, zoenen en strelen.
De Occitanen hingen het Albigenzische geloof aan en werden met een heuse kruistocht van koning en bisschoppen bekeerd of uitgemoord, en met hen deze verfijnde cultuur.

De troubadours herhalen hun onderwerp eindeloos, maar de individualiteit schuilt in het pertinent gebruik van de topologie, in de handigheid bij het formeel exploiteren van de clichés: "Ik zal hetzelfde anders zeggen / Zodat mijn liedje nieuw lijkt" (Gui d'Ussel).
De troubadours hanteren een aristocratisch register met aangepaste dichtvormen als canso, sirventés, tenso, en de populariserende genres alba en serena, pastourelle en dansliedjes.
Er zijn 450 dichters en van zo'n 110 is er een vida, een levensbeschrijving bewaard: uiterst boeiend !
Er duikt zelfs een apart genre op de trobar clus, de hermetische poëzie.

In deel twee "De troubadours" komen 31 minnezangers ter sprake.
Van elk volgt een korte biografie, de stijlkenmerken worden aangestipt en dit theoretisch deel wordt royaal met gedichten geïllustreerd.
Verhuyck brengt een natuurlijke vertaling van de oorspronkelijke tekst. Wie enige notie van de Franse taal bezit kent dubbel plezier: hij kan de zangerige, welklinkende Occitaanse tekst met de langue d'oil (het officiële Frans) vergelijken.
Gekende poëtische protagonisten zijn: Guilhem IX met zijn liefdeslied "Ab la dolçor del tems novel", waaruit:

Onze liefde is als
Een tak van de meidoorn,
Die rilt aan de boom
's Nachs bij regen of vorst,
Tot de ochtend, als de zon straalt
Op de groene bladeren en twijgen.

Maar het kan ook volkser, platter: "Ik zal u zeggen hoe vaak ik ze geneukt heb: 188 keer."
Bekend zijn Jaufré Rudel, Bernart de Ventadorn of de vrouwelijke troubadour Comtesse de Die, Bertran de Born, of "een van de zotste mensen ter wereld": Peire Vidal, de honderdjarige Peire Cardenal.
Van Sordello met zijn uitgebreide collectie dames, even deze snoeverij:

Niet verwonderlijk dat de mannen jaloers
Op mij zijn; ik ben zo bedreven in de
liefde,
Dat er geen dame ter wereld is, hoe
edel ook,
Die mijn smeekbede kan weerstaan:
Men beklaagt zich wel, maar verwijt
me niets
Elke man treurt als zijn vrouw mij
ontvangt!
Maar als ik met haar uit de kleren ga,
Kan zijn verdriet en zijn gedoe mij
gestolen worden.

In het derde deel "In de marge" komt de verdere evolutie en de invloed van de troubadourslyriek op o.a. Henric van Veldeke, Walther von der Vogelweide en auteurs als Ezra Pound ter sprake.
Een bijzonder pittige paragraaf is gewijd aan "Troubadours en obsceniteit": "het gaat niet altijd om platonische liefde, niet altijd om daadloos begeren-om-te-begeren... Het is de achterkant, of zo men wil, de onderkant van de hoofse liefde, met aperte vrouw-onvriendelijkheid. Hypocriete schroom belet me te veel van die teksten te citeren."
Uit "Eu veing vas vos, Seingner, fauda levada", twee strofen van een schalks gesprekje uit de dertiende eeuw:

Ik kom naar u toe met mijn rok omhoog,
Want ik heb gehoord dat u Heer Stijger
heet,
En van neuken krijg ik nooit genoeg;
Twee jaar heb ik een kapelaan gehad,
En zijn klerken en al zijn personeel;
En ik heb een grote, beweeglijke
kont
En een grotere kut dan wie ook.

Weet, 'Dame', dat dit alles mij zeer bevalt:
Als we maar tot morgenochtend samen zijn,
Zal mijn pik uw versterkte poort rammen;
Dan zult u weten of ik een charlatan ben,
Want ik zal uw kont zoveel scheten doen
Laten, dat het op hoorngeschal zal lijken
En u op die muziek zult dansen.

Het boek wordt bijzonder wetenschappelijk afgesloten met een lijst van Occitaanse sleutelwoorden en een beknopte bibliografie.
Tot in Montségur, in het echt, of verdiept in de lectuur van Verhuycks "De echte troubadours", liefst nog beide!

Mark Meekers